Citaat | Hoge Raad 7 september 2004
Alinea 62 Hoge Raad 7 september 2004
Een alinea uit Hoge Raad 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0191.
Dat oordeel geeft - wat er zij van de wijze waarop het Hof de verdachte bij de discussie over het verzoek tot aanhouding heeft betrokken en van de in het middel aangevallen opmerkingen van het Hof over mogelijke tuchtrechtelijke aspecten van het optreden van de raadsvrouwe, op welk een en ander de afwijzing van het verzoek niet steunt - geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, meer in het bijzonder niet omtrent de in het middel genoemde verdragsbepalingen. Het is evenmin onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat mr. Goris zich reeds op 10 maart 2003 als raadsvrouwe had gesteld. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting, erop neerkomende dat een opvolgend raadsman in geen enkel opzicht kan worden gehouden aan het na overleg met de vorige raadsman vastgestelde procesverloop, kan niet als juist worden aanvaard.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/b1e3fb7cd36aa42e2087fdd28c9c245a50bc9b10fb98a39fb0d5f081c87210c4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt b1e3fb7cd36aa42e2087fdd28c9c245a50bc9b10fb98a39fb0d5f081c87210c4, en de alinea staat in dat document op bytes 19126 tot 19977.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/b1e3fb7cd36aa42e2087fdd28c9c245a50bc9b10fb98a39fb0d5f081c87210c4 | shasum -a 256