Citaat | Hoge Raad 28 mei 2004

Alinea 45 Hoge Raad 28 mei 2004

Een alinea uit Hoge Raad 28 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0263.

3.5.3 Anders dan het middel voorts betoogt, heeft het hof het derde vereiste voor de toewijsbaarheid van een geldvordering in kort geding - voldoende aannemelijkheid van de vordering - niet uit het oog verloren. Hetgeen het hof omtrent de hiervoor in 3.3 genoemde ontslaggronden heeft overwogen, moet immers aldus worden begrepen dat de kans dat [eiseres] erin zal slagen in een bodemprocedure te bewijzen dat [verweerder] om een dringende reden is ontslagen, naar 's hofs oordeel zo gering is dat voorshands voldoende aannemelijk is dat de rechter in die procedure tot het oordeel zal komen dat [verweerder] terecht aanspraak maakt op doorbetaling van zijn salaris. Het middel gaat uit van een andere lezing van het bestreden arrest - in die zin dat het hof zou hebben geoordeeld dat de loonvordering van [verweerder] toewijsbaar is omdat het verweer van [eiseres] niet zonder nadere bewijslevering, waarvoor in kort geding geen plaats is, als juist kan worden aanvaard - en kan derhalve in zoverre niet tot cassatie leiden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0b9708cfcb640b8d89fbaaa99ab5a3c44bc0aeae9b7a78c4ff7c245602fa67d8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0b9708cfcb640b8d89fbaaa99ab5a3c44bc0aeae9b7a78c4ff7c245602fa67d8, en de alinea staat in dat document op bytes 14530 tot 15568.