Citaat | Hoge Raad 9 juli 2004

Alinea 40 Hoge Raad 9 juli 2004

Een alinea uit Hoge Raad 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP0428.

De bestreden arresten van het hof zijn totstandgekomen op onderscheidenlijk 18 februari 2003 en 7 oktober 2003, en derhalve na de inwerkingtreding op 1 januari 2002 van de Wet van 6 december 2001, Stb. 580, tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken. Zowel het arrest van 18 februari 2003, waarbij de zaak naar de rol werd verwezen teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken over te leggen, als het arrest van 7 oktober 2003, inhoudende bekrachtiging van het hiervoor onder 1 vermelde vonnis van de rechtbank te Zutphen van 2 augustus 2001 waarbij onder aanhouding van iedere verdere beslissing aan Mareb c.s. (in conventie) bewijs werd opgedragen, is een tussenarrest. Het dictum van die arresten bevat immers niet een definitieve beslissing over enig deel van het gevorderde. Uit art. VII lid 2 van genoemde wet volgt dat, ten aanzien van de mogelijkheid van het aanwenden van een rechtsmiddel tegen arresten die zijn totstandgekomen na het tijdstip van inwerkingtreding van die wet, de bij die wet vastgestelde bepalingen, waaronder art. 401a lid 2 Rv, van toepassing zijn. Ingevolge art. 401a lid 2 kan, nu het hof niet anders heeft bepaald en de overige in dit artikel vermelde uitzonderingen evenmin van toepassing zijn, beroep in cassatie van de beide tussenarresten slechts tegelijk met het eindarrest worden ingesteld. De slotsom moet dus zijn dat Mareb c.s. in hun beroep niet-ontvankelijk zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/10407eb0aa05e209553a20a54b8745414358465ad7b7a3126af50b054d7fb73c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 10407eb0aa05e209553a20a54b8745414358465ad7b7a3126af50b054d7fb73c, en de alinea staat in dat document op bytes 10597 tot 12049.