Citaat | Hoge Raad 11 juni 2004

Alinea 56 Hoge Raad 11 juni 2004

Een alinea uit Hoge Raad 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1349.

3.2.1 Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] drie middelen voorgesteld. Middel ii - middel i behelst slechts een inleiding - is gericht tegen rov. 4.2-4.5. Daarin overweegt het hof dat het het standpunt van de rechtbank deelt (a) dat de bewijslast omtrent de door [eiser] af te sluiten WA-verzekering bij [verweerder] ligt en (b) dat het van [verweerder] te verlangen bewijs nog niet is geleverd, waarna het hof overweegt dat het anderzijds evenzeer van oordeel is dat evenmin is komen vast te staan dat [verweerder] voor de verzekering zou (blijven) zorgdragen. Vervolgens heeft het hof "bij deze bewijssituatie, waarin noch de door [verweerder] gestelde, noch de door [eiser] gestelde overeenkomst bewezen geoordeeld kan worden" onderzocht wie van partijen in welke mate de draagplicht heeft van de door het Waarborgfonds vergoede en op [verweerder] verhaalde schade aan de vrachtwagen van de derde. Het middel klaagt dat deze beslissing de regel miskent dat bewijslast bewijsrisico meebrengt en dat het hof er daarom van diende uit te gaan dat partijen niet waren overeengekomen als door [verweerder] gesteld en dat voor een onderzoek naar de onderlinge draagplicht geen plaats meer was.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/02c03b97e2ec350271a1cf7aa1c3e981900baf79a2ef499d966ddf62cbf0a0f2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 02c03b97e2ec350271a1cf7aa1c3e981900baf79a2ef499d966ddf62cbf0a0f2, en de alinea staat in dat document op bytes 14767 tot 15974.