Citaat | Hoge Raad 9 november 2004

Alinea 89 Hoge Raad 9 november 2004

Een alinea uit Hoge Raad 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1493.

3.8. Het Hof heeft voor het antwoord op de vraag of de verdachte in noodtoestand verkeerde allereerst beoordeeld of sprake was van een ondraaglijk en uitzichtloos lijden en van een onomkeerbare en voortschrijdende ontluistering. Het oordeel van het Hof dat het lijden van de patiënte, die comateus was en in het geheel niet reageerde op pijnprikkels, niet ondraaglijk was wordt in het middel niet bestreden. Het Hof, dat voorts heeft geoordeeld dat haar situatie uitzichtloos was en dat de inschatting van de verdachte dat zij in ieder geval op 5 februari 1997 zou komen te overlijden reëel was, alsmede dat er sprake was van een grote mate van ontluistering, zij het dat die slechts waarneembaar was voor anderen, heeft overwogen dat deze erbarmelijke toestand, gelet op de zeer korte levensverwachting van de patiënte, niet doorslaggevend mag zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bc0d3e15b1a7e600f216c42f84de4c4f3a484bae75d55ae9d17fcfd40aaa54d2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bc0d3e15b1a7e600f216c42f84de4c4f3a484bae75d55ae9d17fcfd40aaa54d2, en de alinea staat in dat document op bytes 33893 tot 34760.