Citaat | Hoge Raad 7 september 2004
Alinea 32 Hoge Raad 7 september 2004
Een alinea uit Hoge Raad 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1534.
3.4.3. Voorts moet bij de beoordeling van het middel worden vooropgesteld dat de rechter die oordeelt over de toelaatbaarheid van de verzochte uitlevering in beginsel geen oordeel toekomt over de rechtmatigheid van de verkrijging van het bewijsmateriaal dat de verzoekende Staat ter staving van de verdenking bij het verzoek tot uitlevering overlegt (vgl. HR 13 november 2001, NJ 2002, 244). Dat geldt evenzeer in geval het bewijs in Nederland ten behoeve van de Staat die uitlevering verzoekt is vergaard met behulp van door Nederland als aangezochte Staat verleende rechtshulp. Dit zou slechts anders kunnen zijn indien zou blijken dat de opgeëiste persoon door de uitlevering het risico zou lopen te worden blootgesteld aan een flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht (vgl. HR 10 juli 2001, NJ 2001, 618 en HR 20 november 2001, LJN AD4290).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1005a22f9d2ecc06cf244d5bfa27eebd6ddc5270947f09ec9e4e17294a306a3c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1005a22f9d2ecc06cf244d5bfa27eebd6ddc5270947f09ec9e4e17294a306a3c, en de alinea staat in dat document op bytes 12953 tot 13838.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1005a22f9d2ecc06cf244d5bfa27eebd6ddc5270947f09ec9e4e17294a306a3c | shasum -a 256