Citaat | Hoge Raad 7 september 2004

Alinea 35 Hoge Raad 7 september 2004

Een alinea uit Hoge Raad 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1534.

3.5.3. Het oordeel van de Rechtbank geeft, in aanmerking genomen hetgeen onder 3.4 is vooropgesteld, evenzeer blijk van een onjuiste rechtsopvatting voorzover zij de ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering heeft gegrond op de omstandigheid dat het in Nederland vergaarde materiaal aan de Amerikaanse autoriteiten is verstrekt en door die autoriteiten aan het uitleveringsverzoek ten grondslag is gelegd, nog voordat het verlof als bedoeld in art. 552oa, vierde lid, (oud) Sv en art. 552p, tweede lid, Sv was verleend. De enkele omstandigheden dat de Officier van Justitie in strijd met wettelijke voorschriften - want voorafgaand aan een daartoe door de Rechtbank te verlenen verlof - de tapgegevens aan de Amerikaanse autoriteiten heeft verstrekt en dat deze autoriteiten die gegevens, naar de Rechtbank kennelijk heeft aangenomen, in strijd met een door de Officier van Justitie gemaakt voorbehoud ten grondslag hebben gelegd aan het onderhavige uitleveringsverzoek, leveren immers niet het risico op dat de opgeëiste persoon daardoor wordt blootgesteld aan een flagrante inbreuk op enig aan hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht. Die omstandigheden kunnen dus geen grond bieden aan ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1005a22f9d2ecc06cf244d5bfa27eebd6ddc5270947f09ec9e4e17294a306a3c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1005a22f9d2ecc06cf244d5bfa27eebd6ddc5270947f09ec9e4e17294a306a3c, en de alinea staat in dat document op bytes 14488 tot 15757.