Citaat | Hoge Raad 18 juni 2004

Alinea 14 Hoge Raad 18 juni 2004

Een alinea uit Hoge Raad 18 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1896.

3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende, die het gehele jaar 1998 in België woonde, bezit 70 percent van de aandelen in A B.V., gevestigd te R (hierna: de BV). Belanghebbende had in het onderhavige jaar een vordering op de BV van ƒ 3.311.944, waarop geen rente werd vergoed. De Inspecteur heeft bij het vaststellen van belanghebbendes aanslag over het onderhavige jaar met toepassing van artikel 24, lid 4, Wet IB 1964 (hierna: de Wet) als inkomsten uit vermogen over de jaren 1997 en 1998 in aanmerking genomen een bedrag aan rente over genoemde vordering van 5 percent per jaar. De Inspecteur heeft de bijgetelde rente op de voet van het bepaalde in artikel 11, § 2, van het Belastingverdrag Nederland-België van 19 oktober 1970 (hierna: het Verdrag) belast naar een tarief van 10 percent.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/78b2eeb5969fb19e461a03429af8ebadc306c96ebab80f0058577bfb06e9bb20. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 78b2eeb5969fb19e461a03429af8ebadc306c96ebab80f0058577bfb06e9bb20, en de alinea staat in dat document op bytes 6181 tot 7020.