Citaat | Hoge Raad 28 september 2004

Alinea 25 Hoge Raad 28 september 2004

Een alinea uit Hoge Raad 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP2124.

"Het geld dat u bij mij heeft aangetroffen is van [betrokkene 1]. Ik zou geld meekrijgen van [betrokkene 1] en dit geld moest ik naar Bonaire brengen. Ik dacht dat het geld niet van eerlijk werken kwam, omdat het zulke grote bedragen zijn. Ik dacht dat het geld van drugs of stelen afkomstig was. [Betrokkene 1] heeft het ticket voor mij gekocht. [Betrokkene 1] zei tegen mij dat ik het geld moest verbergen bij mijn enkels en op mijn rug. De drugs die ik bij mij had heb ik van [betrokkene 1] gekregen en die moest ik aan iemand afgeven tezamen met het geld op Bonaire. Deze persoon zou mij herkennen aan mijn kleding. [Betrokkene 1] heeft tegen mij gezegd dat, wanneer ze mij zouden pakken, ik niet mocht zeggen van wie het geld was. Ik weet dat ik iets verbodens deed."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/86935e68edfa3968d707060da3efe3ba5b0a884b41a010dbdf8d361f2d6f58b8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 86935e68edfa3968d707060da3efe3ba5b0a884b41a010dbdf8d361f2d6f58b8, en de alinea staat in dat document op bytes 9143 tot 9929.