Citaat | Hoge Raad 28 september 2004
Alinea 107 Hoge Raad 28 september 2004
Een alinea uit Hoge Raad 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4221.
7.6. Het Hof heeft vastgesteld dat "[betrokkene 6]" een opsporingsambtenaar is die als politiële infiltrant is opgetreden. De omstandigheid dat zo een infiltrant naderhand als bedreigde getuige is aangemerkt en op de voet van de art. 226c-226f Sv door de Rechter-Commissaris is gehoord, brengt niet mee dat zijn - voordien - tegenover de politie afgelegde verklaringen niet tot het bewijs zouden mogen meewerken. Wel brengt die omstandigheid mee dat aan het gebruik van die verklaringen dezelfde eisen dienen te worden gesteld als aan het gebruik van een verklaring van een bedreigde getuige, in de betekenis welke aan die term toekomt in art. 344a (oud) Sv. Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zal dus niet uitsluitend en - ingevolge de rechtspraak van het EHRM - ook niet in beslissende mate mogen berusten op die verklaringen (vgl. HR 18 mei 1999, NJ 2000, 106).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/80af2fdf42d8310f6a7f7955cb5cfd6a2731560938c7a8cb23d3635e786a52a8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 80af2fdf42d8310f6a7f7955cb5cfd6a2731560938c7a8cb23d3635e786a52a8, en de alinea staat in dat document op bytes 35132 tot 36037.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/80af2fdf42d8310f6a7f7955cb5cfd6a2731560938c7a8cb23d3635e786a52a8 | shasum -a 256