Citaat | Hoge Raad 28 september 2004

Alinea 49 Hoge Raad 28 september 2004

Een alinea uit Hoge Raad 28 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4221.

6.2. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het in beginsel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, om van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht zonder dat hij van zijn oordeel over de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gebezigde bewijsmateriaal in zijn uitspraak rekenschap behoeft af te leggen. Op dit uitgangspunt zijn zowel wettelijke als jurisprudentiële uitzonderingen aangebracht op grond waarvan onder omstandigheden een nadere redengeving van de feitenrechter wordt verlangd omtrent de betrouwbaarheid van het door hem gebezigde bewijsmateriaal, welke omstandigheden mede afhankelijk zijn van de bijzondere aard van de materie en van hetgeen ter terechtzitting in feitelijke aanleg door of namens de verdachte is aangevoerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/80af2fdf42d8310f6a7f7955cb5cfd6a2731560938c7a8cb23d3635e786a52a8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 80af2fdf42d8310f6a7f7955cb5cfd6a2731560938c7a8cb23d3635e786a52a8, en de alinea staat in dat document op bytes 17560 tot 18532.