Citaat | Hoge Raad 29 oktober 2004
Alinea 74 Hoge Raad 29 oktober 2004
Een alinea uit Hoge Raad 29 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4504.
3.9 Het vorenstaande leidt tot verwerping van de aan het middel ten grondslag liggende rechtsopvatting. Aantekening verdient echter nog dat aan de - derhalve te verkiezen - opvatting dat een onder een bank- of giro-instelling gelegd derdenbeslag uitsluitend het op dat moment aanwezige creditsaldo treft, het - ook door het middel naar voren gebrachte - bezwaar kleeft dat de schuldenaar de kredietfaciliteit kan benutten om reeds aan de bank verschafte zekerheden te laten 'vollopen'. Dusdoende kan het aan art. 3:277 lid 1 BW ten grondslag liggende gelijkheidsbeginsel in de knel raken terwijl bovendien andere, wel voor beslag vatbare, vermogensbestanddelen van de schuldenaar, voor zover reeds aan de bank tot zekerheid verbonden, hun betekenis als verhaalsobject voor de beslag leggende schuldeiser gaandeweg verliezen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc710602c3694255f9f9438085e4e59d03aca62ccdcb2a21dea3dd185dd048f1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc710602c3694255f9f9438085e4e59d03aca62ccdcb2a21dea3dd185dd048f1, en de alinea staat in dat document op bytes 25584 tot 26421.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fc710602c3694255f9f9438085e4e59d03aca62ccdcb2a21dea3dd185dd048f1 | shasum -a 256