Citaat | Hoge Raad 24 september 2004
Alinea 44 Hoge Raad 24 september 2004
Een alinea uit Hoge Raad 24 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP6874.
3.4.2 Onderdeel 3.2.2 gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting, nu met deze klacht wordt verdedigd dat de rechter de rechten van de schuldeiser uit een beding als het onderhavige slechts kan matigen op de grond dat toepassing daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Ingevolge art. 242 Rv. kan de rechter bedragen die geacht kunnen worden te zijn bedongen ter vergoeding van proceskosten of van buitengerechtelijke kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2, onder b en c, BW, ambtshalve matigen doch niet tot onder het bedrag van de krachtens de wet te begroten proceskosten respectievelijk het bedrag van de buitengerechtelijke kosten die, gelet op de tarieven volgens welke zodanige kosten aan de opdrachtgever gewoonlijk in rekening worden gebracht, jegens de wederpartij redelijk zijn. Uit de wetsgeschiedenis van art. 57 ab (oud) Rv. - de gelijkluidende voorloper van art. 242 Rv. - komt naar voren dat de bedoeling van de nieuwe wettelijke regeling is geweest de rechter de bevoegdheid te geven om - met name ook waar het verstekzaken betrof - (ambtshalve) de onderhavige kosten binnen redelijke grenzen te houden (vgl. Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3,5, en 6, blz. 38 - 40).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d1b4b2ccec0109e47120ba778f95c98b317b1e03ad877b2bdb396f33b35f57bb. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d1b4b2ccec0109e47120ba778f95c98b317b1e03ad877b2bdb396f33b35f57bb, en de alinea staat in dat document op bytes 17537 tot 18807.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d1b4b2ccec0109e47120ba778f95c98b317b1e03ad877b2bdb396f33b35f57bb | shasum -a 256