Citaat | Hoge Raad 9 juli 2004

Alinea 43 Hoge Raad 9 juli 2004

Een alinea uit Hoge Raad 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP9596.

3.5. Middel II stelt dat de Wet een rangorderegeling kent in die zin dat wanneer de accijns kan worden nageheven van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats, de mogelijkheid een naheffingsaanslag op te leggen ingevolge artikel 2f van de Wet, daarvoor wijkt. Het middel kan in zoverre geen doel treffen, aangezien uit de Wet een dergelijke rangorde niet volgt (HR 6 juni 2003, nr. 35372, BNB 2003/315). Voorzover het middel betoogt dat algemene rechtsbeginselen meebrengen dat bij ernstige fraude aan de zijde van de vergunninghouder van de accijnsgoederenplaats behoort te worden afgezien van het opleggen van een naheffingsaanslag aan degene die de goederen voorhanden heeft gekregen in de zin van artikel 2f van de Wet, faalt het eveneens, daar het miskent dat het voorhanden hebben in de zin van artikel 2f van de Wet een zelfstandig belastbaar feit vormt. Onder omstandigheden kan de door een leverancier gepleegde fraude tot gevolg hebben dat voor degene die de accijnsgoederen tot zijn beschikking krijgt, verborgen blijft dat de betrokken goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet in de heffing zijn of zullen worden betrokken. Artikel 2f van de Wet is, zoals volgt uit het hiervóór in 3.3.3 overwogene, alsdan niet van toepassing. Een dergelijk geval doet zich, naar in cassatie vaststaat, hier echter niet voor.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5af462c5a42a2d198faee3256442a9f6765a8223aacc773881041d831da74b9c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5af462c5a42a2d198faee3256442a9f6765a8223aacc773881041d831da74b9c, en de alinea staat in dat document op bytes 14138 tot 15494.