Citaat | Hoge Raad 26 november 2004

Alinea 72 Hoge Raad 26 november 2004

Een alinea uit Hoge Raad 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP9665.

Voor zover in cassatie van belang - [eiser] heeft geen klachten gericht tegen 's hofs oordeel dat de fietsverhuurovereenkomst per 1 maart 1996 is geeindigd - heeft het hof naar aanleiding van de grieven als volgt overwogen. Ter toelichting op grief V tegen het oordeel van de rechtbank dat [verweerder] c.s. ook na beëindiging van de fietsverhuurovereenkomst bevoegd waren en zijn om fietsen te verhuren vanuit het perceel, heeft [eiser] geen andere relevante stellingen of verweren aangevoerd dan door de rechtbank gemotiveerd waren verworpen, zodat het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank in rov. 5 dienaangaande heeft overwogen en beslist - zoals hiervoor weergegeven - waaraan het nog heeft toegevoegd dat het uitoefenen van het fietsverhuurbedrijf geen verzwaring van de erfpacht is, waarvoor toestemming van [eiser] nodig was, nu zowel voorafgaand aan als ten tijde van de vestiging van de erfpacht die verhuur was toegestaan door [eiser], waaraan niet afdoet dat hem daarbij wellicht voor ogen stond dat die verhuur slechts ingevolge de fietsverhuurovereenkomst zou plaatsvinden, aangezien dat niet door partijen was overeengekomen (rov. 23-26). Grief VI, gericht tegen het oordeel dat de fietsverhuur geen reden vormt voor canonverhoging en geen zelfstandig element vormt bij de canonrevisie in 2002, verwierp het hof met de overweging dat de desbetreffende vordering, voor zover al mogelijk, ten tijde van het instellen daarvan niet meer aan [eiser] toekwam. De verlening van de procesvolmacht maakt de B.V. niet tot partij in deze procedure die zelfstandig, hoewel op naam van [eiser], vorderingen tegen [verweerder] c.s. kan instellen. Voorts is, aldus het hof, niet gebleken dat ten aanzien van deze vordering sprake is van cessie of contractsoverneming (rov. 27-28). Grief VII, die betrekking had op de rechtsgeldigheid van de opzegging door [eiser] van de erfpacht, verwierp het hof op de grond dat niet [eiser], doch de B.V. de tot opzegging bevoegde persoon was en de B.V. geen partij in dit geding is, ook niet door de verlening van de procesvolmacht (rov. 29-31).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ae7569c946e71ba2aa0c54e9e6ce61f0e13d3b35346387082b6d56f1b9a6e161. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ae7569c946e71ba2aa0c54e9e6ce61f0e13d3b35346387082b6d56f1b9a6e161, en de alinea staat in dat document op bytes 19264 tot 21362.