Citaat | Hoge Raad 3 december 2004
Alinea 40 Hoge Raad 3 december 2004
Een alinea uit Hoge Raad 3 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR0264.
3.4.2 De gedachte die aan art. 37 Wtv ten grondslag ligt, brengt ook mee dat indien een ander dan de eigenaar in wiens grond kabels zijn gelegd, met het oog op de oprichting van een gebouw of de uitvoering van werken verplaatsing van die kabels wenst, de kosten van die verplaatsing in ieder geval niet voor rekening van de gedoogplichtige eigenaar van de grond behoren te komen. De vraag of die kosten dan behoren te worden gedragen door de houder van de concessie dan wel door de ander die een gebouw wil oprichten of werken wil uitvoeren, behoort in laatstgemelde zin te worden beantwoord. Dit ligt al aanstonds voor de hand ingeval deze ander niet ook zelf een gedoogplichtige eigenaar is, maar hetzelfde behoort te gelden indien op hem (elders) wel een gedoogplicht rust, omdat die gedoogplicht dan niet bestaat ten aanzien van de kabels waarvan de verlegging nodig is in verband met de door hem beoogde oprichting van een gebouw of uitvoering van werken, en hij derhalve niet bij wijze van "tegenprestatie" voor de gedoogplicht aanspraak kan maken op kosteloze verplaatsing van de kabels.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/628bdfb7998639329f19d7c867bf385e01799f9a6020be7fffc05ef0a3ff3376. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 628bdfb7998639329f19d7c867bf385e01799f9a6020be7fffc05ef0a3ff3376, en de alinea staat in dat document op bytes 13344 tot 14451.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/628bdfb7998639329f19d7c867bf385e01799f9a6020be7fffc05ef0a3ff3376 | shasum -a 256