Citaat | Hoge Raad 10 december 2004
Alinea 42 Hoge Raad 10 december 2004
Een alinea uit Hoge Raad 10 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1049.
3.4 Onderdeel 1 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank in haar rov. 12 en 15 dat onder de "totale reistijd" niet is begrepen de tijd die [eiser] nodig had om lopend de afstand tussen zijn woning en het meest nabije vertrek- en aankomstpunt van het "snelste openbaar vervoermiddel" te overbruggen. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. De rechtbank heeft het in art. 38 lid 1 van de CAO bepaalde, gelezen in zijn onderlinge samenhang, terecht aldus uitgelegd dat de zin die de "totale reistijd" omschrijft betrekking heeft op de vraag welke trajecten in aanmerking worden genomen voor de vergoeding van reiskosten, terwijl vervolgens de voor de vergoeding in aanmerking komende tijdsduur van elk van deze trajecten wordt bepaald door de reisduur volgens de dienstregeling van het snelste openbaar vervoermiddel, zodat daaronder niet valt de tijd die is gemoeid met het lopen van en naar een halte van het openbaar vervoer. Deze uitleg vindt mede hierin bevestiging dat art. 38 niet op overeenkomstige wijze als voor het reizen per openbaar vervoer een objectieve maatstaf inhoudt voor het bepalen van de tijd voor het overbruggen van de lopend af te leggen afstanden. Anders dan het onderdeel aanvoert, leidt deze uitleg ook niet tot het onbillijke en derhalve onaannemelijke resultaat dat een lange reisduur die wordt veroorzaakt door de slechte bereikbaarheid per openbaar vervoer van een afgelegen werkobject, voor rekening zou komen van de werknemer, terwijl het de werkgever is die de werknemer indeelt voor een bepaald werkobject. In de eerste plaats is van belang dat art. 38 van de CAO ervan uitgaat dat het bij de werkobjecten waarop deze bepaling betrekking heeft, veelal zal gaan om objecten zoals kantoren, die in de regel per openbaar vervoer goed bereikbaar zijn, nu immers, kennelijk met het oog op de situatie dat dit niet het geval is, is voorzien in de mogelijkheid van vervoer vanwege de werkgever of van gebruik van eigen vervoer. Voorts zou juist aanvaarding van het door het onderdeel aangevoerde argument allicht tot de weinig aannemelijke gevolgtrekking leiden dat dan ook een werknemer die verkiest ver van een halte van het openbaar vervoer te wonen, de daardoor veroorzaakte langere reistijd voor rekening van de werkgever kan brengen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bdaddaaf188fe37106979cf61269a9013c690f75139a2ea4ec16732a64dfda2c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bdaddaaf188fe37106979cf61269a9013c690f75139a2ea4ec16732a64dfda2c, en de alinea staat in dat document op bytes 11851 tot 14135.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bdaddaaf188fe37106979cf61269a9013c690f75139a2ea4ec16732a64dfda2c | shasum -a 256