Citaat | Hoge Raad 16 november 2004
Alinea 41 Hoge Raad 16 november 2004
Een alinea uit Hoge Raad 16 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1960.
3.5. Aan het voorgaande kan niet afdoen het ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer voorzover dat daarop neerkomt dat uit een oproeping, zoals de hiervoor onder 3.3 sub (iv) bedoelde oproeping, niet blijkt waarvoor de verdachte terechtstaat. Immers, de omstandigheid dat, naar de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep heeft verklaard, hij tijdens de procedure in eerste aanleg geen kennis heeft willen nemen van de inhoud van de inleidende dagvaarding en de omstandigheid dat zijn raadsvrouwe die wens kennelijk heeft gerespecteerd, komen voor rekening van de verdediging. Voorzover de raadsvrouwe in dit verband nog heeft beoogd een beroep te doen op art. 6 EVRM in die zin dat - gegeven het feit dat in een zaak als de onderhavige het Nederlandse recht voorziet in een behandeling in twee feitelijke instanties - er, naast een behandeling op tegenspraak in hoger beroep zoals hier heeft plaatsgevonden, ook in eerste aanleg sprake moet zijn geweest van een fair trial en dat zulks in deze zaak niet het geval is geweest, faalt dat betoog, in aanmerking genomen dat, naar uit het voorgaande voortvloeit:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c3edd573d042e087b5514c483246e8ad66d9cac27eef88ccf56ae495836a87dc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c3edd573d042e087b5514c483246e8ad66d9cac27eef88ccf56ae495836a87dc, en de alinea staat in dat document op bytes 15788 tot 16924.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c3edd573d042e087b5514c483246e8ad66d9cac27eef88ccf56ae495836a87dc | shasum -a 256