Citaat | Hoge Raad 7 december 2004
Alinea 17 Hoge Raad 7 december 2004
Een alinea uit Hoge Raad 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3021.
3.2. Aan het middel ligt blijkens de toelichting de opvatting ten grondslag dat het geval waarin de advocaat-generaal bij het hof bij de vordering als bedoeld in art. 311, eerste lid, Sv (van overeenkomstige toepassing op grond van art. 511g, tweede lid, Sv in verbinding met art. 415 Sv) heeft geconcludeerd tot afwijzing van de - in eerste aanleg op de voet van art. 511b, eerste lid, Sv en in hoger beroep op de voet van art. 511g, tweede lid onder a, Sv - aanhangig gemaakte vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden gelijkgesteld met het geval waarin geen vordering van het openbaar ministerie als bedoeld in art. 36e Sr is aanhangig gemaakt. Die opvatting is onjuist.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa4fc21e8b45949abb96c7317cfa4c5807018398205945df1f7ccaacd4584bb1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa4fc21e8b45949abb96c7317cfa4c5807018398205945df1f7ccaacd4584bb1, en de alinea staat in dat document op bytes 7730 tot 8449.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fa4fc21e8b45949abb96c7317cfa4c5807018398205945df1f7ccaacd4584bb1 | shasum -a 256