Citaat | Hoge Raad 7 december 2004
Alinea 28 Hoge Raad 7 december 2004
Een alinea uit Hoge Raad 7 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3021.
4.4.1. Op de voet van art. 36e, zesde lid, Sr is de rechter bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat verplicht aan benadeelde derden onherroepelijk in rechte toegekende vorderingen in mindering te brengen. In de - door verwerping van het cassatieberoep bij het arrest van de Hoge Raad van 9 november 2004 in de zaak onder rolnummer 01509/03 thans onherroepelijk geworden - uitspraak in de hoofdzaak heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] jegens de betrokkene toegewezen, in dier voege dat de betrokkene tezamen met zijn beide mededaders voor deze prestatie hoofdelijk is verbonden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa4fc21e8b45949abb96c7317cfa4c5807018398205945df1f7ccaacd4584bb1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa4fc21e8b45949abb96c7317cfa4c5807018398205945df1f7ccaacd4584bb1, en de alinea staat in dat document op bytes 10835 tot 11518.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fa4fc21e8b45949abb96c7317cfa4c5807018398205945df1f7ccaacd4584bb1 | shasum -a 256