Citaat | Hoge Raad 19 november 2004

Alinea 49 Hoge Raad 19 november 2004

Een alinea uit Hoge Raad 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3137.

Wat betreft het hiervoor in 3.3 onder (a) bedoelde primaire verweer van de bank, sloot het hof zich aan bij het oordeel van de rechtbank (rov. 5.3-5.7). Wat betreft het subsidiaire beroep van de bank op verrekening onderschreef het hof het oordeel van de rechtbank, dat art. 54 F. hieraan in de weg staat, mits de curator het door de rechtbank geformuleerde bewijs levert (rov. 5.8-5.13). Ten aanzien van het meer subsidiaire verweer van de bank dat de crediteuren in het faillissement van Ede niet in hun verhaalsmogelijkheden zijn benadeeld door de wijze waarop de bank haar hypotheekrechten heeft afgewikkeld, overwoog het hof dat het niet erom gaat of de overige crediteuren bij een andere wijze van verkoop meer zouden hebben ontvangen, maar of de bank bevoegd is tot verrekening (rov. 5.14). Ten slotte heeft het hof de bank in de gelegenheid gesteld tussentijds cassatieberoep in te stellen (rov. 5.17).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2f5f95ccda439beb7bb4db4d465a2159875a78d85baf6f762e90474af8627035. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2f5f95ccda439beb7bb4db4d465a2159875a78d85baf6f762e90474af8627035, en de alinea staat in dat document op bytes 14123 tot 15046.