Citaat | Hoge Raad 19 november 2004
Alinea 61 Hoge Raad 19 november 2004
Een alinea uit Hoge Raad 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3137.
3.12 Voor zover de bank zich in dit verband mede wil beroepen op het feit dat de Hoge Raad al eerder een uitzondering heeft aanvaard op de vorenbedoelde strenge regels, kan dit haar evenmin baten. In zijn arrest van 17 februari 1995, nr. 15743, NJ 1996, 471, heeft de Hoge Raad inderdaad geoordeeld dat geen goede grond bestaat deze strenge regels mede van toepassing te achten op de mogelijkheid van verrekening door een bankinstelling van girale betalingen die zijn gedaan ter voldoening van aan haar stil verpande vorderingen ter zake waarvan zij nog geen mededeling heeft gedaan. Aan deze beslissing lag ten grondslag dat de bank reeds op grond van haar stille pandrecht een recht van voorrang op het geïnde had, zodat niet kan worden gezegd dat zij zich door verrekening een uitzonderingspositie ten opzichte van de andere schuldeisers verschafte. Bovendien werd in aanmerking genomen dat een verrekeningsmogelijkheid in dit geval strookt met de opzet van het stille pandrecht op vorderingen, die ertoe strekt de onder het oude recht bestaande financieringspatronen te continueren en aan de schuldeisers evenveel zekerheid te bieden als de toentertijd gangbare zekerheidseigendom.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2f5f95ccda439beb7bb4db4d465a2159875a78d85baf6f762e90474af8627035. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2f5f95ccda439beb7bb4db4d465a2159875a78d85baf6f762e90474af8627035, en de alinea staat in dat document op bytes 22420 tot 23619.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2f5f95ccda439beb7bb4db4d465a2159875a78d85baf6f762e90474af8627035 | shasum -a 256