Citaat | Hoge Raad 19 november 2004
Alinea 62 Hoge Raad 19 november 2004
Een alinea uit Hoge Raad 19 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3137.
Tussen die beslissing en het onderhavige geval bestaan echter essentiële verschillen. In het in 1995 berechte geval had de bank als stil pandhouder weliswaar geen gebruik gemaakt van haar bevoegdheid haar pandrecht voor de faillietverklaring aan de schuldenaar mee te delen, zodat de pandgever - en na diens faillissement: de curator - bevoegd was gebleven nakoming van de verpande vordering te eisen (art. 3:246 lid 1 BW), maar dit deed niet eraan af dat het pandrecht was blijven bestaan, zodat de pandhouder zijn recht van voorrang op het door de curator geïnde bedrag van de verpande vordering behield. In het onderhavige geval heeft de bank echter, zoals hiervoor overwogen, nu juist afstand gedaan van haar recht van hypotheek, zodat het daaraan verbonden recht van voorrang eveneens kwam te vervallen. De vervolgens voor de bank resulterende positie als concurrent schuldeiser leidde ook naar het voor 1992 geldende recht niet tot een betere behandeling dan waarop andere concurrente schuldeisers aanspraak konden maken. Van doorkruising van bestaande financieringspatronen is in het onderhavige geval dus geen sprake.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2f5f95ccda439beb7bb4db4d465a2159875a78d85baf6f762e90474af8627035. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2f5f95ccda439beb7bb4db4d465a2159875a78d85baf6f762e90474af8627035, en de alinea staat in dat document op bytes 23627 tot 24767.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2f5f95ccda439beb7bb4db4d465a2159875a78d85baf6f762e90474af8627035 | shasum -a 256