Citaat | Hoge Raad 17 december 2004
Alinea 39 Hoge Raad 17 december 2004
Een alinea uit Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3168.
3.5 Uit het hiervoor overwogene volgt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan, zodat de daarop gerichte klachten van het middel op zichzelf terecht zijn voorgedragen. In het onderhavige geval is de rechtbank immers in haar tweede tussenvonnis teruggekomen van het in haar eerste tussenvonnis uitgesproken verbod van tussentijds beroep. Omdat de rechtbank met dat verbod niet een beslissing had gegeven omtrent enig onderdeel van het gevorderde, stond haar dat vrij. De gemeente mocht daarom binnen de beroepstermijn van het tweede tussenvonnis appelleren tegen beide door de rechtbank gewezen tussenvonnissen en vervolgens slechts grieven richten tegen het eerste tussenvonnis. Het beroep tegen het tweede tussenvonnis was in dit geval immers niet een oneigenlijk middel voor een niet-toegelaten beroep tegen het eerste tussenvonnis, maar een noodzakelijk middel om de door de rechtbank alsnog opengestelde bevoegdheid tegen het eerste tussenvonnis te appelleren, te kunnen uitoefenen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/64e6a8fc644093edd7a0f317edb294e1b1aba149892c1cf0e7bb1a1bd1dbf7c9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 64e6a8fc644093edd7a0f317edb294e1b1aba149892c1cf0e7bb1a1bd1dbf7c9, en de alinea staat in dat document op bytes 14596 tot 15613.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/64e6a8fc644093edd7a0f317edb294e1b1aba149892c1cf0e7bb1a1bd1dbf7c9 | shasum -a 256