Citaat | Hoge Raad 17 december 2004
Alinea 52 Hoge Raad 17 december 2004
Een alinea uit Hoge Raad 17 december 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3634.
3.5 Naar blijkt uit de in onderdeel 2 genoemde vindplaatsen heeft MTH evenwel gemotiveerd betwist dat sprake is geweest van (een poging tot) opzettelijke misleiding van Nationale-Nederlanden, en heeft zij bij conclusie van repliek een algemeen bewijsaanbod gedaan, meer in het bijzonder tot het doen horen van getuigen, welk aanbod zij, tezamen met haar overige stellingen in hoger beroep heeft herhaald. Door MTH niet overeenkomstig haar aanbod toe te laten tot het leveren van tegenbewijs, heeft het hof miskend dat het volgens art. 151 lid 2 Rv. aan MTH vrijstond bewijs te leveren ter ontzenuwing van het door het hof aan het strafdossier ontleende bewijs en dat een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet behoeft te worden gespecificeerd. De hierop gerichte klachten van het middel slagen. Voor het overige behoeft het middel geen behandeling.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a2aad30ea01606588b761be597a3852b283712bd2a99aca52a3511fb31795ef1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a2aad30ea01606588b761be597a3852b283712bd2a99aca52a3511fb31795ef1, en de alinea staat in dat document op bytes 13036 tot 13902.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/a2aad30ea01606588b761be597a3852b283712bd2a99aca52a3511fb31795ef1 | shasum -a 256