Citaat | Hoge Raad 30 november 2004
Alinea 37 Hoge Raad 30 november 2004
Een alinea uit Hoge Raad 30 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3721.
4.5. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de juistheid van de stelling dat de betrokkene op zijn beurt is beroofd van de partij kobalt in het midden kon blijven, omdat door de betrokkene op het moment van de voltooiing van het ten laste van hem bewezenverklaarde delict wederrechtelijk voordeel is verkregen en dat daaraan niet kan afdoen dat de kobalt later uit de door betrokkene gebruikte opslagplaats zou zijn ontvreemd. Dat oordeel getuigt, gelet op het hiervoor onder 4.4 overwogene, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. Dat de omvang van dat voordeel volgens het Hof vervolgens in dit geval bepaald diende te worden aan de hand van een schatting van de opbrengst die de betrokkene en zijn mededaders bij verkoop van de kobalt in het illegale circuit minimaal zouden hebben kunnen realiseren, getuigt evenmin van een onjuiste rechtsopvatting, is - anders dan het middel stelt - niet onverenigbaar met 's Hofs oordeel dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten en is evenmin onbegrijpelijk. In zoverre faalt het middel derhalve.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0efa5521b47eb78294c9a1fc381523bc221c0f9b78d5386928e8259e16c659d9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0efa5521b47eb78294c9a1fc381523bc221c0f9b78d5386928e8259e16c659d9, en de alinea staat in dat document op bytes 11021 tot 12114.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0efa5521b47eb78294c9a1fc381523bc221c0f9b78d5386928e8259e16c659d9 | shasum -a 256