Citaat | Hoge Raad 28 januari 2005

Alinea 52 Hoge Raad 28 januari 2005

Een alinea uit Hoge Raad 28 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR4481.

[Verweerder] c.s. hebben verweer gevoerd en de hiervoor onder 1 genoemde vordering in reconventie ingesteld. Zij legden aan hun verweer en hun vordering primair ten grondslag dat het hiervoor in 3.1 onder (iii) aangehaalde art. II.16 van de Voorwaarden NVM 2000 onredelijk bezwarend is, gelet op het bepaalde in de artikelen 6:236 aanhef en onder (k) en 6:237 aanhef en onder (i) BW. Subsidiair betoogden zij dat het hiervoor in 3.1 onder (ii) aangehaalde beding (iii) uit de overeenkomst van opdracht en het daarmee corresponderende art. II.16 van de Voorwaarden NVM 2000 onverenigbaar zijn met art. 7:411 lid 1 in verbinding met art. 7:413 lid 2 BW. Indien [eiseres] al een vordering op hen heeft, brengen deze bepalingen volgens [verweerder] c.s. mee dat die vordering is beperkt tot een in redelijkheid vast te stellen gedeelte van de tussen partijen overeengekomen courtage, aangezien zij het huis hebben gekocht na intrekking van de overeenkomst van opdracht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2b754ebedcd09a3d057b81aedf583e1bd75eb712bfee233b91ecc60faf9b4177. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2b754ebedcd09a3d057b81aedf583e1bd75eb712bfee233b91ecc60faf9b4177, en de alinea staat in dat document op bytes 14225 tot 15203.