Citaat | Hoge Raad 18 februari 2005
Alinea 67 Hoge Raad 18 februari 2005
Een alinea uit Hoge Raad 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR4841.
3.6.11 De onderdelen 5.13 en 5.14 richten zich kennelijk tegen de hiervóór in 3.6.6 onder b. aangehaalde overweging dat het verbieden van kansspelen behoudens vergunning een geschikt middel is om de doelstellingen van de Wet op de kansspelen te bereiken, waarmee het hof kennelijk het oog heeft op de blijkens de rechtspraak van het HvJEG uit te voeren effectiviteitstoets. Onderdeel 5.13 voert aan dat daarbij rekening moet worden gehouden met de omstandigheden op de Nederlandse markt die wordt gekenmerkt door een gestage toename van het aantal vergunninghouders, het ontbreken van een samenhangend beleid om het aanbod te beperken, agressieve marketing door de bestaande vergunninghouders, veranderde maatschappelijke opvattingen over kansspelen en een onbeperkte toegang tot buitenlandse kansspelen via moderne communicatiemiddelen. Volgens onderdeel 5.14 kunnen de nationale voorschriften niet leiden tot een verplichting voor dienstverleners uit andere lidstaten de toegang tot hun diensten via internet onmogelijk te maken. Daardoor is van een beperking van het aanbod als middel tot "beteugeling van de goklust" (thans) door de moderne communicatiemiddelen geen sprake meer en missen reeds daarom art. 1, aanhef onder a, Wok en het opgelegde verbod iedere effectiviteit, aldus het onderdeel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/49c7b68c558e2b0f0c68fa1fd32e220ce2e0269b5ee6241736ed4cdd4b43eac5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 49c7b68c558e2b0f0c68fa1fd32e220ce2e0269b5ee6241736ed4cdd4b43eac5, en de alinea staat in dat document op bytes 35194 tot 36510.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/49c7b68c558e2b0f0c68fa1fd32e220ce2e0269b5ee6241736ed4cdd4b43eac5 | shasum -a 256