Citaat | Hoge Raad 31 mei 2005

Alinea 51 Hoge Raad 31 mei 2005

Een alinea uit Hoge Raad 31 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR8021.

5.4. Naar in de conclusie van de Advocaat-Generaal is uiteengezet - en ook in het zevende middel tot uitgangspunt wordt genomen - is niet voor redelijke twijfel vatbaar dat zowel Richtlijn 89/592/EEG als de opvolgende Richtlijn 2003/6/EG voor wat betreft de strafbaarstelling van handelen met voorwetenschap een aanzienlijke (significante) mate van invloed op de koers vereisen, terwijl op dat punt ook het ter implementatie van eerstgenoemde Richtlijn strekkende art. 46 (oud) Wte 1995 in die zin moet worden uitgelegd. Anders dan in het zevende middel wordt betoogd heeft het Hof dat laatste niet miskend. Door te oordelen dat de koers "in niet onbetekenende mate verder zou zijn opgestuwd" heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat de koers in die door art. 46 (oud) Wte 1995 vereiste mate zou zijn beïnvloed. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van de bestreden uitspraak. Dat een dergelijke invloed op de koers redelijkerwijs was te verwachten kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. De bewezenverklaring is dus in dit opzicht toereikend gemotiveerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/35cb0e2fff17f76f5a0948247040118071d3f88db02edcdfa91c20bb117d32c7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 35cb0e2fff17f76f5a0948247040118071d3f88db02edcdfa91c20bb117d32c7, en de alinea staat in dat document op bytes 15984 tot 17074.