Citaat | Hoge Raad 22 april 2005
Alinea 46 Hoge Raad 22 april 2005
Een alinea uit Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2027.
3.6.3 Evenzeer terecht acht het middel onbegrijpelijk hoe de rechtbank tot het kennelijke oordeel heeft kunnen komen dat [eiser] niet erop heeft mogen vertrouwen dat EMI instemde met een wijziging van de opzegtermijn doch destijds had moeten inzien dat de datum einde dienstverband niet door EMI werd verschoven. Dit geldt des te sterker nu, zoals ook onderdeel 2.5 stelt, ervan moet worden uitgegaan dat EMI voorafgaande aan de procedure niet aan [eiser] te kennen heeft gegeven of zij uit hoofde van schadeplichtigheid op grond van art. 7:677 lid 2 BW dan wel uit hoofde van verschuiving van de ontslagdatum naar 1 juni 1999 aan [eiser] is blijven betalen hetgeen zij voor 1 maart 1999 aan hem betaalde en de rechtbank niet heeft vastgesteld, en uit de stukken van het geding ook niet kan worden geconcludeerd, dat EMI heeft gesteld dat [eiser] wist dan wel behoorde te weten dat de gedragingen van EMI slechts voortvloeiden uit (de beperkingen van) het administratieve systeem.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/adeb669ec046ea5337612005a4f61bc762f37cb00454e39bda2be950db7f65f4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt adeb669ec046ea5337612005a4f61bc762f37cb00454e39bda2be950db7f65f4, en de alinea staat in dat document op bytes 13553 tot 14546.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/adeb669ec046ea5337612005a4f61bc762f37cb00454e39bda2be950db7f65f4 | shasum -a 256