Citaat | Hoge Raad 11 maart 2005

Alinea 49 Hoge Raad 11 maart 2005

Een alinea uit Hoge Raad 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS2619.

(iv) [Betrokkene 1] heeft vervolgens een verklaring als bedoeld in art. 476a Rv. afgelegd, inhoudende dat hij niets aan MHL verschuldigd is. De Rabobank heeft deze verklaring op de voet van art. 477a Rv. betwist, hetgeen geleid heeft tot het onherroepelijk vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 13 december 1995. Daarbij is [betrokkene 1] veroordeeld tot het afleggen van een verklaring dat hij krachtens overeenkomst van geldlening onder hypothecair verband een bedrag van ƒ 800.000,--, te vermeerderen met rente, aan MHL verschuldigd is en dat deze schuld door het beslag is getroffen. Bij voormeld vonnis is [betrokkene 1] tevens veroordeeld tot betaling aan de Rabobank van ƒ 221.151,55 met rente en kosten uit het onder het beslag vallende bedrag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ef2d4825d3f53e1fb146c528f52135f3367de9e1314b5409089f3b9003977725. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ef2d4825d3f53e1fb146c528f52135f3367de9e1314b5409089f3b9003977725, en de alinea staat in dat document op bytes 11696 tot 12470.