Citaat | Hoge Raad 3 juni 2005

Alinea 37 Hoge Raad 3 juni 2005

Een alinea uit Hoge Raad 3 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5961.

De man is in hoger beroep gegaan tegen deze beschikking. Hij vulde zijn verzoek aan met het subsidiaire verzoek de vastgestelde uitkering tot levensonderhoud nader te bepalen op nihil, althans op een bedrag dat overeenstemt met de wettelijke maatstaven. Het hof heeft in zijn tussenbeschikking overwogen dat de door de man gestelde feiten en omstandigheden, indien bewezen, meebrengen dat de vrouw inderdaad met een ander is gaan samenleven als waren zij gehuwd, en liet de man derhalve toe tot bewijs. In zijn eindbeschikking heeft het hof overwogen dat de man niet erin is geslaagd het hem opgedragen bewijs te leveren en heeft het de bestreden beschikking daarom bekrachtigd. Het overwoog daartoe, kort gezegd, dat weliswaar aannemelijk is dat sprake is van een affectieve relatie van duurzame aard tussen de vrouw en [betrokkene 1], maar dat onvoldoende is aangetoond dat tevens kan worden gesproken van wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Wat betreft de voorwaarde van wederzijdse verzorging geldt dat de vrouw huishoudelijke kosten voor [betrokkene 1] voldoet en huishoudelijke taken voor hem verricht, maar niet dat [betrokkene 1] haar hiervoor een financiële bijdrage betaalt. Het feit dat [betrokkene 1] af en toe kleine reparaties verricht en dat de vrouw gebruik kan maken van zijn auto, maakt dat niet anders. Ook wordt geen gemeenschappelijke huishouding gevoerd. De vrouw heeft van januari tot september 2000 bij [betrokkene 1] gewoond, maar zij was toen in afwachting van een eigen huurwoning. Voor deze samenwoning heeft de vrouw geen vergoeding betaald. Sinds september 2000 hebben de vrouw en [betrokkene 1] beiden een eigen huis. Ieder voldoet zelf de lasten van zijn eigen huis. [Betrokkene 1] verblijft door de week ook regelmatig in zijn eigen huis (rov. 2.3). Nu niet is bewezen dat de vrouw de kosten van de huishouding op enige wijze met [betrokkene 1] deelt, kan niet worden aangenomen dat haar behoefte aan levensonderhoud positief wordt beïnvloed door de relatie die zij met [betrokkene 1] heeft. Evenmin kan worden gezegd dat haar behoefte lager is geworden, nu zij blijkbaar geld heeft om enige huishoudelijke kosten te voldoen voor [betrokkene 1]. Het staat de vrouw immers vrij haar inkomen naar eigen inzicht aan te wenden. Overigens is geen inzicht verschaft in de wijze waarop de behoefte van de vrouw bij het uiteengaan van partijen is vastgesteld, noch ook in haar huidige financiële situatie (rov. 2.4).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4da22a98f3e6920af5f32ed32f7f9e959ebe1c8d32dbbea3d55dfeea21f3121d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4da22a98f3e6920af5f32ed32f7f9e959ebe1c8d32dbbea3d55dfeea21f3121d, en de alinea staat in dat document op bytes 8973 tot 11471.