Citaat | Hoge Raad 23 september 2005

Alinea 39 Hoge Raad 23 september 2005

Een alinea uit Hoge Raad 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2620.

3.3.1 Omtrent het beroep van [eiseres] op ongerechtvaardigde verrijking heeft het hof (in rov. 11) overwogen dat niet in geschil is dat de kunstvoorwerpen - met uitzondering van twee schilderijen en enkele biechtstoelen - door natrekking onroerend zijn en dat deze dat ten tijde van de overeenkomsten van 1986 ook reeds waren, hetgeen volgens het hof meebrengt dat de gestelde verrijking niet is ontstaan door die natrekking, doch door de levering van het kerkgebouw met inbegrip van die voorwerpen ingevolge de koopovereenkomst, terwijl partijen in de onjuiste veronderstelling verkeerden dat deze niet in die koop en levering waren betrokken, zodat de gestelde verrijking niet ongerechtvaardigd was. Daaraan voegt het hof toe dat, voor zover de verrijking en verarming zijn opgetreden doordat partijen hebben gedwaald, een vordering wegens ongerechtvaardigde verrijking derhalve niet de aangewezen weg is om de gevolgen van die dwaling op te heffen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9b32ddb8ea8aba3dc23e5b35eb3444637c67b2c5c6e0894f91d02b078f72bd1e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9b32ddb8ea8aba3dc23e5b35eb3444637c67b2c5c6e0894f91d02b078f72bd1e, en de alinea staat in dat document op bytes 12229 tot 13193.