Citaat | Hoge Raad 23 september 2005

Alinea 40 Hoge Raad 23 september 2005

Een alinea uit Hoge Raad 23 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2620.

3.3.2 De onderdelen 2.1. en 2.2. keren zich tegen deze rechtsoverweging en lenen zich voor gezamenlijk behandeling. Zij klagen dat het hof heeft miskend dat de aan de levering ten grondslag liggende titel geen betrekking had op de inventaris - waarmee, zo begrijpt de Hoge Raad, de in de huurovereenkomst betrokken kunstvoorwerpen zijn bedoeld - zodat de verrijking die in de van rechtswege gevolgde eigendomsovergang gelegen is, ongerechtvaardigd is, althans dat 's hofs oordeel dat de koopovereenkomst wel betrekking had op die voorwerpen, onbegrijpelijk is. Die klachten treffen doel. Dat naar de bedoeling van partijen de kunstvoorwerpen niet in de verkoop van het kerkgebouw waren betrokken was reeds door de rechtbank tot uitgangspunt genomen (vonnis van 31 december 1997, rov. 6.2 onder a), die voorts als vaststaand aannam dat partijen bij het sluiten van de huurovereenkomst inzake die voorwerpen ervan waren uitgegaan dat deze roerend waren (vonnis van 3 februari 1999, rov. 2.12). Die oordelen zijn in hoger beroep door partijen niet bestreden. In haar memorie na verwijzing (nr. 31) heeft [eiseres], in overeenstemming daarmee, aangevoerd dat, waar het die kunstvoorwerpen betrof, sprake is geweest van 'onbewuste, althans ongewilde overdracht van deze zaken'. Dat was in zoverre ook in lijn met hetgeen [verweerster] in haar memorie na verwijzing (nr. 12) heeft gesteld, te weten dat zij met de (tegelijk met de koopovereenkomst en voorafgaand aan de overdracht van de kerk gesloten) huurovereenkomst akkoord was gegaan - hoezeer ook met tegenzin, daar zij meende dat de voorwerpen onder de haar verkochte inventaris waren begrepen - omdat [betrokkene 1] dreigde die kunstvoorwerpen anders te zullen laten terughalen. In het licht van dit een en ander is onbegrijpelijk 's hofs oordeel (rov. 11) dat de veronderstelling van partijen onjuist was dat de kunstvoorwerpen (niet alleen niet in de levering, maar ook) niet in de koop betrokken waren, welke vaststelling dragend is voor 's hofs oordeel dat de gestelde verrijking niet ongerechtvaardigd is geweest. Voor het geval de vermelding van de woorden 'koop en' in rov. 11 op een misslag berust - en het hof dus niet heeft bedoeld vast te stellen dat de kunstvoorwerpen voorwerp van de koopovereenkomst waren - geeft het bestreden oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien moet worden aangenomen dat volgens de bedoeling van partijen de kunstvoorwerpen niet in de koop waren begrepen, doch voorwerp waren van de gelijktijdig gesloten huurovereenkomst, werd de met de door eigendomsoverdracht van die zaken bewerkstelligde verrijking immers niet door de koopovereenkomst gerechtvaardigd. Dat de verrijking niet door de natrekking is ontstaan omdat die, zoals het hof voorts overweegt, in 1986 reeds een feit was, laat onverlet dat de gestelde verrijking is bewerkstelligd doordat de kunstvoorwerpen, als bestanddelen van het kerkgebouw ingevolge vóór 1986 plaatsgevonden hebbende natrekking, bij de levering in eigendom aan [verweerster] zijn overgegaan. Indien komt vast te staan dat zulks door partijen niet werd beoogd, is de mogelijk daarin gelegen verrijking dus ongerechtvaardigd geweest. De kennelijk op zodanige verrijking gebaseerde vordering van [eiseres] staat haar ten dienste ook zonder dat de koopovereenkomst wegens dwaling wordt vernietigd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9b32ddb8ea8aba3dc23e5b35eb3444637c67b2c5c6e0894f91d02b078f72bd1e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9b32ddb8ea8aba3dc23e5b35eb3444637c67b2c5c6e0894f91d02b078f72bd1e, en de alinea staat in dat document op bytes 13213 tot 16559.