Citaat | Hoge Raad 4 oktober 2005

Alinea 48 Hoge Raad 4 oktober 2005

Een alinea uit Hoge Raad 4 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT2968.

3.4. De Hoge Raad stelt voorop dat van oudsher het instituut van de verjaring van het recht tot strafvordering onder meer steunt op de gedachte dat het in de regel na een bepaald tijdsverloop niet meer nodig zal zijn met vervolging en bestraffing te reageren op de door het strafbare feit veroorzaakte verstoring van de rechtsorde. Art. 72, eerste lid, Sr bepaalt dat de verjaring wordt gestuit door iedere daad van vervolging mits die daad de vervolgde bekend of betekend is. Door van zijn bevoegdheid tot het verrichten van een daad van vervolging gebruik te maken, waaraan de wet het rechtsgevolg van stuiting verbindt, brengt het openbaar ministerie als zijn oordeel tot uiting dat de inbreuk op de rechtsorde (nog steeds) strafvervolging vereist. Daarnaast steunt het instituut van de verjaring op het ervaringsgegeven dat door tijdsverloop het bewijs kan vervagen. Dat geldt echter niet voor technisch bewijsmateriaal als DNA-profielen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc77bcb0cb3773c25d7124cb5c45893161bb41ff8b03e608fcea72effa742b5b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc77bcb0cb3773c25d7124cb5c45893161bb41ff8b03e608fcea72effa742b5b, en de alinea staat in dat document op bytes 17043 tot 17998.