Citaat | Hoge Raad 24 juni 2005

Alinea 35 Hoge Raad 24 juni 2005

Een alinea uit Hoge Raad 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6025.

3.2 In de bestreden beschikking heeft de ondernemingskamer haar beslissing erop gegrond dat de verplichting tot betaling van de op de voet van art. 2:350 lid 3 BW vastgestelde kosten van het onderzoek heeft te gelden als boedelschuld, omdat die verplichting niet ontstaat door toedoen of door enige (rechts)handeling van de - failliete - rechtspersoon of - één van - zijn organen, doch het rechtstreeks uit de wet voortvloeiende gevolg is van de - ook in geval van faillissement van de rechtspersoon mogelijke - rechterlijke beslissing dat een onderzoek plaatsvindt naar het beleid en de gang van zaken van de betrokken rechtspersoon en van de rechterlijke vaststelling van het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten (rov. 3.7). Voor dit oordeel ontleent de ondernemingskamer voorts argumenten aan doel en strekking van het recht van enquête, literatuur en rechtspraak (rov. 3.8 - 3.10). De ondernemingskamer komt tot de slotsom dat de kosten van het bevolen onderzoek uit de boedel van de vennootschap dienen te worden voldaan en dat zij gezien het bepaalde in art. 2:350 lid 3, laatste zin, BW kan bepalen dat de curator voor die kosten zekerheid dient te stellen (rov. 3.11).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c7ffd2db59ef097b7e303eba92db71f479ab420bdeab16cc47a0419354b40986. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c7ffd2db59ef097b7e303eba92db71f479ab420bdeab16cc47a0419354b40986, en de alinea staat in dat document op bytes 10994 tot 12197.