Citaat | Hoge Raad 24 juni 2005
Alinea 37 Hoge Raad 24 juni 2005
Een alinea uit Hoge Raad 24 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6025.
3.4 De opvatting van de ondernemingskamer dat de kosten als bedoeld in art. 2:350 lid 3 BW zonder meer als boedelschuld hebben te gelden in het faillissement van de rechtspersoon ten aanzien waarvan na zijn faillietverklaring een onderzoek als bedoeld in art. 2:345 BW is bevolen, is onjuist. Noch de tekst van art. 2:350 lid 3 BW noch ook de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling biedt daarvoor enig aanknopingspunt. De door de ondernemingskamer in aanmerking genomen omstandigheid dat de verplichting van de rechtspersoon om die kosten te betalen een rechtstreeks uit de wet voortvloeiend gevolg is van de - ook in geval van het faillissement van de rechtspersoon mogelijke - rechterlijke beslissing dat een onderzoek dient plaats te vinden en de rechterlijke vaststelling van het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten, brengt evenmin mee dat die verplichting een rechtstreeks uit de wet voortvloeiende boedelschuld is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c7ffd2db59ef097b7e303eba92db71f479ab420bdeab16cc47a0419354b40986. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c7ffd2db59ef097b7e303eba92db71f479ab420bdeab16cc47a0419354b40986, en de alinea staat in dat document op bytes 12692 tot 13650.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c7ffd2db59ef097b7e303eba92db71f479ab420bdeab16cc47a0419354b40986 | shasum -a 256