Citaat | Hoge Raad 4 november 2005
Alinea 44 Hoge Raad 4 november 2005
Een alinea uit Hoge Raad 4 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT6837.
3.5 Aan de uitdrukking "uitvoering van werken" in art. 37 lid 1 Wtv moet in overeenstemming met hetgeen wordt aangenomen voor andere gevallen waarin de wet een dergelijke uitdrukking gebruikt, zoals bij voorbeeld in art. 7:750 BW, de betekenis worden toegekend van het totstandbrengen van een werk van stoffelijke aard. Dit brengt echter niet mee dat het bouwrijp maken van een perceel reeds op zichzelf kan worden aangemerkt als uitvoering van werken in de zin van art. 37 Wtv. Deze opvatting zou immers meebrengen dat een grondeigenaar op een willekeurig tijdstip met het oog op een voorgenomen of zelfs slechts overwogen verkoop van de grond de verkoopwaarde daarvan op kosten van de concessiehouder zou kunnen verhogen door de grond bouwrijp te maken en de concessiehouder te nopen tot het verplaatsen van de daarin gelegen kabels. Met "uitvoering van werken" kan derhalve slechts zijn gedoeld op een ander werk dan het bouwrijp maken van de grond als zodanig. Is sprake van zodanig werk, dan zal voorts voor de toepasselijkheid van lid 1 van art. 37 Wtv moeten komen vast te staan dat verplaatsing van de kabels daarvoor "nodig" is, dat wil zeggen dat een duidelijk en concreet verband bestaat tussen het werk en de verplaatsing van de kabels, en zulks niet slechts met het oog op de vraag òf de in het perceel gelegen kabels moeten worden verplaatst maar ook in welke omvang dit moet geschieden. Daarvoor is ten slotte eveneens vereist dat sprake is van uitvoering van een werk (of de oprichting van een gebouw) door of vanwege de gedoogplichtige, in dit geval de Gemeente. In een geval als het onderhavige, waar het gaat om de oprichting van een gebouw door een derde (Juno) die niet de gedoogplichtige is, is aan dit vereiste niet voldaan door de enkele omstandigheid dat de Gemeente zich met het oog daarop contractueel had verplicht de grond bouwrijp te maken. Dit strookt ook met het voorgestelde tweede lid van art. 5.8 Telecommunicatiewet en de daarop gegeven toelichting, zoals weergegeven in de conclusie van de Advocaat Generaal onder 2.10 - 2.11, welke bepaling voor, kort gezegd, het bouwrijp maken voor woningbouw voorziet in overeenkomstige toepassing van art. 5.8 lid 1 van die wet, dat overeenkomt met art. 37 lid 1 Wtv. Klaarblijkelijk is ook naar de opvatting van de Regering onder het huidige recht geen plaats voor een verplaatsing van kabels op kosten van de concessiehouder, ingeval de grondeigenaar met het oog op een voorgenomen verkoop van de grond verplicht is de grond bouwrijp te maken. Voor een anticiperende toepassing van de voorgestelde bepaling op een geval als het onderhavige bestaat geen grond.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bf5c8f754ceff84f41c88c408dc4e8a3d120a17edeeae4e00a4f8a27b95ddeb0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bf5c8f754ceff84f41c88c408dc4e8a3d120a17edeeae4e00a4f8a27b95ddeb0, en de alinea staat in dat document op bytes 12549 tot 15199.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bf5c8f754ceff84f41c88c408dc4e8a3d120a17edeeae4e00a4f8a27b95ddeb0 | shasum -a 256