Citaat | Hoge Raad 8 juli 2005
Alinea 31 Hoge Raad 8 juli 2005
Een alinea uit Hoge Raad 8 juli 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8128.
3.4.1 Bij de beoordeling van de overige klachten wordt het volgende vooropgesteld. Art. 8 lid 1 Bopz bepaalt dat de rechter, alvorens op de vordering tot voorlopige machtiging te beschikken, degene ten aanzien van wie de machtiging is gevorderd, hoort, tenzij hij vaststelt dat de betrokkene niet bereid is zich te doen horen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fbb576de111f7d286052d13975db53816f8635dd970011cadff2793ece3119d3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fbb576de111f7d286052d13975db53816f8635dd970011cadff2793ece3119d3, en de alinea staat in dat document op bytes 9834 tot 10173.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fbb576de111f7d286052d13975db53816f8635dd970011cadff2793ece3119d3 | shasum -a 256