Citaat | Hoge Raad 18 november 2005
Alinea 39 Hoge Raad 18 november 2005
Een alinea uit Hoge Raad 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9055.
Het hof is ervan uitgegaan dat zijn taak na verwijzing meebrengt dat het onderzoekt of de arbeidsverhouding tussen partijen inmiddels is geëindigd. Voorzover het onderdeel klaagt dat het hof aldus buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, faalt het. Het hof heeft in rov. 9.8 van zijn eindarrest vooropgesteld dat in de procedure na verwijzing nog aan de orde zijn de vordering tot nietigverklaring van het ontslag en de vordering tot doorbetaling van het brutosalaris sedert 1 november 1996 tot het einde van de arbeidsverhouding. In aanmerking genomen dat de rechtbank - destijds in cassatie niet bestreden - in rov. 3.7 heeft vastgesteld dat de vordering tot doorbetaling van loon "zolang als de (...) overeenkomst (...) voortduurt" toewijsbaar is, en gelet op het feit dat de rechtbank niet heeft vastgesteld op welke datum de overeenkomst eindigde, geeft het oordeel van het hof, erop neerkomende dat het diende te onderzoeken of de rechtsbetrekking tussen partijen inmiddels is geëindigd, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2ea4d59d8becd66cf100c519b078baf17da49f3b366b0d1b7837801e26243681. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2ea4d59d8becd66cf100c519b078baf17da49f3b366b0d1b7837801e26243681, en de alinea staat in dat document op bytes 11833 tot 12896.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2ea4d59d8becd66cf100c519b078baf17da49f3b366b0d1b7837801e26243681 | shasum -a 256