Citaat | Hoge Raad 25 november 2005

Alinea 56 Hoge Raad 25 november 2005

Een alinea uit Hoge Raad 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT9060.

Zoals de Hoge Raad in zijn arrest van 20 maart 1959, NJ 1959, 246, heeft geoordeeld, is onjuist de stelling dat de rechter in kort geding zonder in een beoordeling van de wederzijdse belangen van partijen te mogen treden, de opheffing van een conservatoir beslag zou moeten bevelen indien de beslaglegger niet erin slaagt het bestaan van zijn vordering aannemelijk te maken. In de MvA I Inv. bij art. 705 Rv., Parl. Gesch. Wijziging Rv. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 314, wordt dit arrest aangemerkt als "het ene uiterste" bij de door de rechter te verrichten belangenafweging: indien de beslaglegger zijn vordering niet aannemelijk maakt, noopt dit nog niet tot opheffing van het conservatoir beslag; zelfs dan moet nog een belangenafweging plaatsvinden. De memorie gaat dan als volgt verder:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/30ba4c82744ff2fe5374c4e5c001214a520c7da81089948cca4c909ce2264e6e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 30ba4c82744ff2fe5374c4e5c001214a520c7da81089948cca4c909ce2264e6e, en de alinea staat in dat document op bytes 16883 tot 17682.