Citaat | Hoge Raad 6 juni 2006

Alinea 207 Hoge Raad 6 juni 2006

Een alinea uit Hoge Raad 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1633.

[Medeverdachte 3] heeft in eerste instantie tegenover Nederlandse politieambtenaren een bekennende verklaring afgelegd en volledige openheid van zaken gegeven, ook wat betreft de betrokkenheid en het aandeel van zijn mededaders. Later tijdens verhoren in het kader van een rogatoire commissie en ter zitting van het hof van 6 augustus 2004 heeft [medeverdachte 3] zich beroepen op zijn verschoningsrecht. De enkele weigering van [medeverdachte 3] om ter terechtzitting als getuige te verklaren brengt op zich geen inbreuk mee op het ondervragingsrecht van de verdediging. Overigens heeft [medeverdachte 3] zich niet bij alle vragen beroepen op zijn verschoningsrecht en in ieder geval bevestigd dat hij tegenover de Nederlandse opsporingsambtenaren heeft verklaard zoals door dezen op papier is gezet. De vraag is wel in hoeverre onder deze omstandigheden de eerdere bekennende verklaringen van [medeverdachte 3] als bewijs in de onderhavige strafzaak kunnen en mogen worden gebruikt. In dat geval is vereist dat deze verklaringen in belangrijke mate worden bevestigd door ander bewijsmateriaal op die onderdelen, die verdachte betwist en waarover hij de getuige aan de tand had willen voelen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcb00cff413c7f0c1f36b8586499fb8881e072e8aea459410ad40314cbce6665. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcb00cff413c7f0c1f36b8586499fb8881e072e8aea459410ad40314cbce6665, en de alinea staat in dat document op bytes 45169 tot 46376.