Citaat | Hoge Raad 6 juni 2006

Alinea 210 Hoge Raad 6 juni 2006

Een alinea uit Hoge Raad 6 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1633.

Het hof oordeelt op grond hiervan -anders dan door de verdediging is aangevoerd- dat niet is komen vast te staan dat [medeverdachte 3] als verdachte met de Duitse justitie een deal heeft gesloten om in ruil voor strafvermindering (ook) jegens zijn medeverdachten belastend te verklaren. Wel heeft de Duitse rechter gemotiveerd toepassing gegeven aan de strafverminderingsgrond van paragraaf 31 van de Duitse Opiumwet. De bekennende verklaringen van [medeverdachte 3] zijn voorts door de verklaring van [medeverdachte 1] bevestigd en zelfs uitgebreid, ondanks bedreiging van zijn persoon en gezin. Dit versterkt de geloofwaardigheid van de bekennende verklaringen van [medeverdachte 3]. Het hof acht het niet aannemelijk geworden dat [medeverdachte 1] gelet op de door [medeverdachte 3] ingenomen proceshouding niet anders kon dan eveneens een bekennende verklaring afleggen, temeer nu hij daarbij ook een uitbreiding heeft gegeven aan de verklaringen van [medeverdachte 3].

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcb00cff413c7f0c1f36b8586499fb8881e072e8aea459410ad40314cbce6665. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcb00cff413c7f0c1f36b8586499fb8881e072e8aea459410ad40314cbce6665, en de alinea staat in dat document op bytes 48904 tot 49891.