Citaat | Hoge Raad 30 juni 2006
Alinea 90 Hoge Raad 30 juni 2006
Een alinea uit Hoge Raad 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV3373.
3.3 De vrouw betwist dat zij heeft berust in 's hofs arrest en bestrijdt de (primaire) stelling van de man dat hun zoon namens haar in het telefoongesprek heeft gesproken over het al of niet in cassatie gaan door de vrouw. Daartoe voert zij aan, dat zij haar zoon niet heeft gevraagd namens haar op te treden maar dat haar zoon aan de man heeft gezegd wat hij zelf redelijk achtte om de ontruimingstermijn van vijf dagen te ontgaan en op eigen houtje heeft geprobeerd te voorkomen dat zijn moeder binnen vijf dagen op straat gezet zou worden. De vrouw stelt dat zij het huurcontract getekend heeft omdat haar zoon zei dat zij daardoor kon voorkomen dat zij binnen vijf dagen op straat gezet kon worden en stelt daarbij dat zij het huurcontract niet heeft gelezen. De vrouw erkent dat zij ook "iets heeft getekend waardoor zij aanspraken op het huis zou verliezen", maar stelt dat zij dit heeft gedaan omdat het hof haar daartoe in zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest had veroordeeld. Zij heeft zelf niets verklaard over het al of niet in cassatie gaan en volgens de vrouw blijkt uit geen van de stukken dat zij te kennen heeft gegeven van een ondubbelzinnig op berusting gerichte wil.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ffae6000a1e4476ef51515ea51bb2fafb6cca2c86f921c80b908e2378e3c32a1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ffae6000a1e4476ef51515ea51bb2fafb6cca2c86f921c80b908e2378e3c32a1, en de alinea staat in dat document op bytes 21662 tot 22871.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ffae6000a1e4476ef51515ea51bb2fafb6cca2c86f921c80b908e2378e3c32a1 | shasum -a 256