Citaat | Hoge Raad 30 juni 2006

Alinea 95 Hoge Raad 30 juni 2006

Een alinea uit Hoge Raad 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV3373.

3.8 De Hoge Raad passeert het aanbod dat de vrouw doet om door het horen van haar zoon [zoon 1] en haarzelf als getuigen bewijs bij te brengen van haar stelling dat zij niet heeft berust in het arrest van het hof van 22 september 2004. Voorzover de vrouw wil bewijzen dat zij niet bij monde van haar zoon te kennen heeft gegeven te berusten in het arrest indien een regeling tot stand zou komen, heeft zij bij die bewijslevering geen belang, nu de Hoge Raad de desbetreffende stelling van de man heeft verworpen. Ook voor het overige is het bewijsaanbod niet ter zake dienende. De vrouw heeft de feiten op grond waarvan de Hoge Raad berusting aanneemt, op zichzelf niet betwist en heeft, zoals reeds in 3.5 is vermeld, geen feiten aangevoerd die, indien bewezen, zouden kunnen afdoen aan het oordeel dat de vrouw een houding heeft aangenomen waaruit in het licht van de omstandigheden van het onderhavige geval ondubbelzinnig blijkt, dat de vrouw zich neerlegde bij de uitspraak van het hof.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ffae6000a1e4476ef51515ea51bb2fafb6cca2c86f921c80b908e2378e3c32a1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ffae6000a1e4476ef51515ea51bb2fafb6cca2c86f921c80b908e2378e3c32a1, en de alinea staat in dat document op bytes 27028 tot 28032.