Citaat | Hoge Raad 15 september 2006

Alinea 45 Hoge Raad 15 september 2006

Een alinea uit Hoge Raad 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW9375.

3.4 Het oordeel van het hof dat de verklaringen van de beide door Amba voorgebrachte getuigen - haar directeur [getuige 2] en haar verkoper/vertegenwoordiger [getuige 1] - erop neerkomen dat Amba aan [betrokkene 1] geleverd heeft, moet aldus worden begrepen dat die verklaringen alsnog duidelijk maken dat ook volgens de aan de zijde van Amba direct betrokkenen (onder wie haar directeur) niet [verweerder], zoals eerder in overeenstemming met hetgeen Amba had gesteld door het hof was aangenomen, maar [betrokkene 1] de wederpartij van Amba was bij de koopovereenkomsten die aan de vordering van Amba ten grondslag liggen. Aldus bezien heeft het hof in de rov. 2.2 en 2.3 van zijn eindarrest tot uitdrukking gebracht dat dit nieuwe gegeven het onaanvaardbaar maakte dat het hof gebonden zou zijn aan zijn hiervoor in 3.3 weergegeven eindbeslissing, aangezien het dan zou worden gedwongen tot het doen van een einduitspraak waarvan het wist dat deze ondeugdelijk was. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Nadere motivering behoefde het niet. In zoverre faalt het middel derhalve.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee25307df68fb1a041a221543c41b57ec3617e0f43da684b6c846c081e4e7449. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee25307df68fb1a041a221543c41b57ec3617e0f43da684b6c846c081e4e7449, en de alinea staat in dat document op bytes 12601 tot 13841.