Citaat | Hoge Raad 30 juni 2006
Alinea 45 Hoge Raad 30 juni 2006
Een alinea uit Hoge Raad 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6248.
3.4.1 Met genoemd tweede (thans: vierde) lid van art. 125 Rv. is, blijkens de memorie van toelichting bij het voorstel van wet tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken, in het bijzonder de wijze van procederen in eerste aanleg, codificatie beoogd van rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot behoud van de aanhangigheid indien is verzuimd de zaak tijdig te laten inschrijven. In die memorie (Kamerstukken II, 1999/2000, 26855, nr. 3, blz. 106) wordt verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1982, nr. 12015, NJ 1984, 59. Daarin werd, kort samengevat, geoordeeld dat niet-tijdige inschrijving ter rolle weliswaar in beginsel leidt tot niet-ontvankelijkheid, maar dat er - in het licht van de eisen van een goede rechtspleging, mede in verband met het grote belang dat de dagvaardende partij kan hebben bij herstel van verzuim van een in wezen slechts administratieve maatregel - goede grond is daarop een uitzondering te maken indien de wederpartij die naliet gebruik te maken van haar bevoegdheden uit de art. 139 en 75 Rv., zoals deze destijds luidden, met bekwame spoed - in het algemeen: binnen veertien dagen na de oorspronkelijke rechtsdag - en met inachtneming van de voor dagvaarding geldende termijnen opnieuw wordt opgeroepen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f7c90e35208dd9d0d551bbaadebcb2ea7dc44b07a088b03e72dc7ad7d9b71611. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f7c90e35208dd9d0d551bbaadebcb2ea7dc44b07a088b03e72dc7ad7d9b71611, en de alinea staat in dat document op bytes 11599 tot 12889.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f7c90e35208dd9d0d551bbaadebcb2ea7dc44b07a088b03e72dc7ad7d9b71611 | shasum -a 256