Citaat | Hoge Raad 29 augustus 2006
Alinea 36 Hoge Raad 29 augustus 2006
Een alinea uit Hoge Raad 29 augustus 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX6414.
3.6. Wil de eigen waarneming van de rechter als wettig bewijsmiddel kunnen medewerken tot het bewijs, dan zal deze, naar art. 340 Sv voorschrijft, bij het onderzoek ter terechtzitting moeten zijn gedaan. Daardoor is als bewijsmiddel uitgesloten de eigen waarneming van de rechter die buiten het verband van de terechtzitting, dus bijvoorbeeld na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en/of elders is geschied. Aan deze regel ligt ten grondslag dat de rechter een eigen waarneming of constatering eerst dan aan zijn beslissing kan doen meewerken indien ook zowel de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie als de verdachte en de raadsman die waarneming hebben kunnen doen en de gelegenheid hebben gehad zich daaromtrent bij de behandeling van de zaak uit te laten. Zoals uit het onder 3.5 overwogene volgt, heeft het Hof de desbetreffende waarneming gedaan na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting. Dat brengt mee dat de bewezenverklaring op een niet-wettig bewijsmiddel berust en daarom niet naar de eis der wet is gemotiveerd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/c820a40e97f7edbdfea5e215317c5bac271911faed33273ebc653e899b85701c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt c820a40e97f7edbdfea5e215317c5bac271911faed33273ebc653e899b85701c, en de alinea staat in dat document op bytes 11047 tot 12112.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/c820a40e97f7edbdfea5e215317c5bac271911faed33273ebc653e899b85701c | shasum -a 256