Citaat | Hoge Raad 29 september 2006

Alinea 32 Hoge Raad 29 september 2006

Een alinea uit Hoge Raad 29 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7809.

3.4.1 Onderdeel 1 klaagt in de eerste plaats dat het hof met zijn hiervoor weergegeven oordelen in de rov. 7, 9 en 10 heeft miskend dat als peildatum voor de fictieve intering in het kader van een terugvorderingsprocedure enkel, althans in de onderhavige omstandigheden enkel, kan gelden de datum vanaf welke de uitkeringen in rechte kunnen worden teruggevorderd, hier: 12 april 1990. Het is niet juist, aldus het onderdeel, het eigen vermogen van de betrokkene ook fictief te laten afnemen in een periode waarover als gevolg van de werking van een vervaltermijn geen terugvordering (meer) mogelijk is. Ter bepaling van het in dit geval terug te vorderen bedrag dient de van 12 april 1990 tot 1 september 1992 feitelijk aan [verweerder] toegekende uitkering - ƒ 43.794,37 - dan ook te worden vergeleken met het bedrag van de uitkering waarop hij in dat tijdvak recht zou hebben gehad indien hij bij de aanvang, te weten op 12 april 1990 - overeenkomstig de op hem rustende doorlopende inlichtingenplicht - wel zijn toen beschikbare vermogen aan de Gemeente zou hebben meegedeeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7c608c258efe555e3fe9c6e0cafa1237b2fdca461bcbd7a89a4abbf08d8f8e9f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7c608c258efe555e3fe9c6e0cafa1237b2fdca461bcbd7a89a4abbf08d8f8e9f, en de alinea staat in dat document op bytes 10149 tot 11242.