Citaat | Hoge Raad 6 oktober 2006
Alinea 60 Hoge Raad 6 oktober 2006
Een alinea uit Hoge Raad 6 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX8295.
3.3.3 Het onderdeel faalt. Het voorlopig getuigenverhoor, zoals dat in art. 186 e.v. Rv. is geregeld, beoogt niet alleen mogelijk te maken dat spoedig na het plaatsvinden van omstreden feiten daaromtrent getuigenverklaringen kunnen worden afgelegd alsmede te voorkomen dat bewijs verloren gaat dat zou kunnen worden geproduceerd in het kader van de bewijslevering in een aanhangige of aanhangig te maken procedure. Het strekt ook ertoe belanghebbenden bij een eventueel naderhand bij de burgerlijke rechter aanhangig te maken procedure - degene die het aanspannen daarvan overweegt, degene die verwacht dat deze tegen hem zal worden aangespannen, dan wel een derde die anderszins bij die procedure belang heeft - de gelegenheid te bieden vooraf opheldering te verkrijgen omtrent de (hun wellicht nog niet precies bekende) feiten, zulks teneinde hen in staat te stellen hun positie beter te beoordelen, met name ook ten aanzien van de vraag tegen wie de procedure moet worden aangespannen (vgl. HR 24 maart 1995, nr. 8573, NJ 1998, 414).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ae5010ed71686426fb5f21de0ca9430644dcce9a766d291caab9075e313b6435. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ae5010ed71686426fb5f21de0ca9430644dcce9a766d291caab9075e313b6435, en de alinea staat in dat document op bytes 21586 tot 22636.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ae5010ed71686426fb5f21de0ca9430644dcce9a766d291caab9075e313b6435 | shasum -a 256